
In Duitsland ontwikkelen wetenschappers organoïden die bepaalde eigenschappen van de lever, de darm, de hersenen en andere menselijke organen nabootsen. Deze modellen zouden een deel van de proeven op muizen en andere dieren kunnen vervangen. Een reportage van de Duitse openbare radio Deutschlandfunk belicht deze ontwikkelingen, onder meer in Dresden, en toont ook hoe organoïden in China al op grote schaal geautomatiseerd worden geproduceerd.
In laboratoria worden muizen nog altijd op grote schaal gebruikt om ziekten te bestuderen en geneesmiddelen te testen. Volgens de recentste officiële cijfers werden in België 247.131 muizen gebruikt voor dierproeven. Deze dieren worden genetisch gemodificeerd, kunstmatig ziek gemaakt, geopereerd of blootgesteld aan mogelijk schadelijke stoffen.
Dergelijke proeven kunnen pijn, angst, stress en langdurig lijden veroorzaken. Na afloop van de experimenten worden de meeste dieren gedood.
Nochtans is een muis geen miniatuurmens. De verschillen tussen soorten kunnen de waarde van de resultaten beperken en maken het moeilijker om ze rechtstreeks naar de mens te vertalen.
Organoïden bieden een veelbelovend alternatief. Ze worden gekweekt uit menselijke cellen en maken het mogelijk om biologische processen rechtstreeks te bestuderen, zonder eerst kunstmatig een ziekte op te wekken bij een muis of een ander proefdier.
In een recente reportage stelt de Duitse openbare radio Deutschlandfunk dan ook een fundamentele vraag: kunnen organoïden de muis eindelijk uit het laboratorium verdrijven?
‘Mini-levers’ als alternatief voor muizen
Aan het Max Planck Instituut voor Moleculaire Celbiologie en Genetica in Dresden werken onderzoekers onder meer met leverorganoïden. Deze structuren zijn geen volwaardige organen, maar bootsen wel verschillende celtypes en belangrijke functies van de menselijke lever na. Daardoor kunnen wetenschappers leverziekten onderzoeken en de mogelijke werking van geneesmiddelen bestuderen aan de hand van modellen die gebaseerd zijn op menselijke biologie.
Het doel is tweeledig: informatie verkrijgen die relevanter is voor de menselijke gezondheid én het gebruik van muizen vermijden.
Ook de kweek van organoïden wordt steeds verder geautomatiseerd. Robots kunnen de cellen onderhouden, voedingsstoffen toedienen en tegelijkertijd grote aantallen stalen verwerken.
De reportage toont bovendien een onderzoeksinstituut in China, waar dankzij geautomatiseerde installaties tienduizenden organoïden tegelijk kunnen worden gekweekt. Die grootschalige productie bewijst dat organoïden niet meer beperkt zijn tot enkele experimentele toepassingen. Ze zouden geleidelijk kunnen uitgroeien tot een standaardinstrument in biomedisch onderzoek en de ontwikkeling van geneesmiddelen.
Waarom muizen geen perfecte modellen voor de mens zijn
Proeven op muizen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat deze dieren als model kunnen dienen om de werking van het menselijk lichaam te begrijpen. Toch bestaan er belangrijke verschillen tussen soorten, onder meer op het vlak van stofwisseling, immuunsysteem, genexpressie en de manier waarop ziekten zich ontwikkelen.
Een behandeling die bij een muis werkt, heeft daarom niet noodzakelijk hetzelfde effect bij mensen. Omgekeerd kan een stof die na dierproeven wordt afgewezen, mogelijk toch van nut zijn voor menselijke patiënten.
Organoïden vertrekken vanuit een andere benadering. Omdat ze uit menselijke cellen kunnen worden gekweekt, maken ze het mogelijk om bepaalde biologische mechanismen die eigen zijn aan de mens rechtstreeks te bestuderen. Cellen van een zieke patiënt kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om een organoïde te maken die bepaalde kenmerken van zijn aandoening nabootst. Wetenschappers kunnen vervolgens het verloop van de ziekte volgen en de effecten van verschillende behandelingen met elkaar vergelijken.
Deze modellen kunnen ook bijdragen aan de ontwikkeling van meer gepersonaliseerde geneeskunde. Door te onderzoeken hoe de cellen van een patiënt op verschillende geneesmiddelen reageren, kunnen artsen beter bepalen welke behandeling het meest geschikt is.
Meerdere organen verbinden zonder muizen te gebruiken
Een afzonderlijke organoïde kan de volledige complexiteit van het menselijk lichaam niet nabootsen. In ons lichaam staan de verschillende organen voortdurend met elkaar in verbinding. Een stof die door de darmen wordt opgenomen, kan door de lever worden omgezet, via het bloed door het lichaam circuleren en effecten hebben op het hart, de nieren of de hersenen.
Om die wisselwerking beter na te bootsen, ontwikkelen wetenschappers systemen die bekendstaan als ‘organen-op-een-chip’ of ‘multi-organen-op-een-chip’. In deze kleine systemen worden verschillende menselijke weefsels of organoïden via microscopisch kleine kanaaltjes met elkaar verbonden. Door die kanaaltjes stroomt een vloeistof die bepaalde aspecten van de bloedsomloop nabootst.
Dankzij deze platforms kunnen onderzoekers bestuderen hoe een stof op verschillende organen inwerkt, zonder ze aan muizen te moeten toedienen.
Organoïden, organen-op-een-chip, computermodellen en artificiële intelligentie kunnen zo met elkaar worden gecombineerd om steeds completere en beter voorspellende modellen van het menselijk lichaam te ontwikkelen.
Beperkingen zijn geen reden om op hetzelfde elan voort te gaan
Organoïden kunnen het menselijk lichaam nog niet in zijn geheel nabootsen. Sommige beschikken niet over een volledig bloedvatenstelsel, een functionerend immuunsysteem of zenuwverbindingen die vergelijkbaar zijn met die van een volledig organisme. Ook kunnen organoïden die in verschillende laboratoria worden gekweekt onderling verschillen. Daarom moeten de productie- en evaluatiemethoden verder worden gestandaardiseerd.
Met die beperkingen moet rekening worden gehouden. Ze mogen echter geen excuus vormen om dierproeven eindeloos voort te zetten. Ook muizen zijn onvolmaakte modellen. Toch worden hun beperkingen vaak aanvaard, terwijl elke tekortkoming van een dierproefvrije methode wordt voorgesteld als een groot obstakel voor het gebruik ervan.
Geen enkel experimenteel model kan het menselijk lichaam in al zijn complexiteit perfect nabootsen.
De juiste vraag is dan ook welke methode het best geschikt is om een specifieke wetenschappelijke vraag te beantwoorden en de meest relevante informatie voor de mens oplevert, terwijl dierenleed zoveel mogelijk wordt vermeden.
Het belangrijkste obstakel is niet langer puur wetenschappelijk
Opdat organoïden muizen daadwerkelijk zouden vervangen, volstaat het niet dat de technologie werkt. Ook overheden, financieringsinstanties, universiteiten, farmaceutische bedrijven en onderzoeksinstellingen moeten hun werkwijze aanpassen.
Zolang bepaalde regelgevende procedures gegevens uit dierproeven blijven verplichten of bevoordelen, zullen laboratoria weinig stimulansen hebben om traditionele methoden achter zich te laten. Het risico bestaat dan dat organoïden eenvoudigweg worden toegevoegd aan proeven op muizen, zonder dat het aantal gebruikte dieren daadwerkelijk daalt.
Maar dierproefvrije methoden moeten net worden ontwikkeld met als doel dierproeven te vervangen. Daarvoor is een echte routekaart nodig, met meetbare doelstellingen, duidelijke termijnen en specifieke financiering voor de afbouw van dierproeven.
Onderzoekers moeten bovendien toegang krijgen tot de nodige infrastructuur, opleidingen en menselijk biologisch materiaal. Ook de instanties die geneesmiddelen en chemische stoffen beoordelen, moeten gegevens uit organoïden en andere methoden op basis van menselijke biologie sneller kunnen erkennen en aanvaarden.
Historische kans die we moeten grijpen
Organoïden zijn op zichzelf geen universele oplossing. Ze tonen wel aan dat het mogelijk is om hoogwaardige wetenschappelijke kennis te verwerven zonder systematisch dieren te gebruiken. Ze worden vandaag al ingezet om ziekten te bestuderen en de effecten van bepaalde behandelingen te beoordelen. In combinatie met organen-op-een-chip en computermodellen banen ze de weg voor moderner onderzoek dat relevanter is voor de mens en vrij is van dierenleed.
De vraag is dus niet langer of er alternatieven bestaan voor proeven op muizen en andere dieren. Die methoden bestaan en ontwikkelen zich snel. De echte vraag is hoelang overheden en wetenschappelijke instellingen een systeem blijven ondersteunen dat gebaseerd is op het gebruik en de dood van dieren, terwijl veelbelovender technologieën op basis van menselijke biologie steeds verder worden ontwikkeld.
Het einde van dierproeven zal waarschijnlijk niet voortkomen uit één enkele uitvinding die alle experimenten kan vervangen. Het zal het resultaat zijn van een doelgerichte strategie die wetenschappelijke innovatie, gerichte financiering, aangepaste regelgeving en politieke wil met elkaar combineert.
Organoïden wijzen de weg. Het is tijd om te versnellen.
Alternatieven moeten dierproeven eindelijk vervangen
Volgens GAIA toont het onderzoek naar organoïden in Duitsland en elders aan dat het mogelijk is om te bouwen aan een moderne wetenschap die relevanter is voor de mens en geen beroep doet op dierproeven.
Elk jaar worden nog steeds muizen en andere dieren onderworpen aan procedures die pijn, angst, stress en langdurig lijden kunnen veroorzaken. Ze worden genetisch gemodificeerd, kunstmatig ziek gemaakt, blootgesteld aan giftige stoffen, ondergaan ingrepen of worden in onnatuurlijke omstandigheden gehouden. De meeste dieren worden nadien gedood.
De ontwikkeling van organoïden moet helpen om van dit model af te stappen. Deze nieuwe methoden mogen niet zomaar bovenop dierproeven komen. Ze moeten dierproeven geleidelijk vervangen, tot die uiteindelijk volledig verdwijnen.
GAIA wil dat de Belgische en Europese overheden een echte strategie uitwerken om dierproeven af te bouwen en uiteindelijk stop te zetten, met meetbare doelstellingen, bindende termijnen en voldoende financiering voor methoden die gebaseerd zijn op menselijke biologie.
Daarnaast moeten de validatie en regelgevende erkenning van deze technologieën worden versneld, moet hun gebruik in laboratoria actief worden ondersteund en moeten vereisten die het gebruik van dieren onnodig in stand houden, worden geschrapt.
Zolang dieren in laboratoria blijven lijden terwijl diervriendelijkere methoden zich verder ontwikkelen, is de omslag niet voltooid. Het doel moet duidelijk zijn: dierproeven vervangen en een einde maken aan het lijden van dieren.
Bron
Lange, M. (2026, 13 juli). Organoide statt Mäuse: Schaffen wir Tierversuche jetzt endlich ab? Deutschlandfunk.